eindoorzaak
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɛintorzak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- laatste uit een reeks feiten die samen tot een bepaald gevolg te leidenOorzaken: gebrekkige kwaliteitscontrole, corruptie en hogere bestuurslagen die geen kritiek verdragen, waardoor ook de technische eindoorzaak van de mislukkingen vaak niet achterhaald werd.
- (verouderd) nagestreefd doel dat als tussenstap een bepaald gevolg heeftZonder ons te verdiepen in de netelige vraagstukken, die met de voorstelling van een in de werkelijkheid ingrijpende eindoorzaak - een werking uitgeoefend door iets, dat er (nog) niet is - verbonden zijn, willen wij toch graag weten: ‘Hoe kennen wij die eindoorzaak?’ m.a.w. ‘Hoe kennen wij het doel, waarnaar de ontwikkeling van de maatschappij zich richt?’
Etymologie
**[2] als leenvertaling van Latijn "causa finalis" als vertaling van "τέλος" (télos) uit de oorzakenleer van Griekse filosoof uit de 4e eeuw v. Chr.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek