Dit woord is niet gevonden in de woordenlijst.

elektriek

/elΙ›kˈtrik/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanduiding voor verschijnselen en toepassingen van elektrische stroom en lading
    Ik schoor mij aan een van de wastafels op zaal. In stilte, met zeep en kwast. Alle anderen bedienden zich van zoemend elektriek.
    Hij geloofde oprecht in de verbale beloften van het communisme, zoals hij als ingenieur ook heilig in de elektriek geloofde.
    Het elektriek is afgekeurd, tochBen ik goed van licht voorzien.

Etymologie

[https://resolver.kb.nl/resolve?urn=dts:17213:mpeg21:0014 "Iets over de otters." in: Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1828 (Mengelstukken) nr. 13 (1829) Gerard van Dijk, Amsterdam]; p. 566; geraadpleegd 2019-01-22