elf
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɛlᵊf/
Wat is de betekenis van elf?
elf betekent: 11, het getal tussen tien en twaalf
Betekenis
telwoord
- 11, het getal tussen tien en twaalf
- om een hoeveelheid aan te geven
- om een plaats in een volgorde aan te geven
zelfstandig naamwoord
- dat wat in een (rang)ordening met 11 is aangeduid
- groep van 11 eenheden
zelfstandig naamwoord
- mythologisch wezen dat meestal over bovennatuurlijke krachten beschikt,
- vriendelijke natuurgeest, meestal in de gedaante van een meisje met vleugels
Voorbeelden van "elf" in een zin
- Een strafschop wordt genomen op elf meter van het doel.
- De totale kosten bedragen elf euro en zevenendertig cent.
- In Amerika verwijst "9/11" naar de aanslagen van elf september 2001.
- Het juiste antwoord op opgave elf is "42".
- Rond elf uur hield ik het niet meer en nam één hap van mijn Snicker. Ik kauwde zorgvuldig om optimaal te genieten van de nougat, pinda’s, karamel en melkchocolade.
Etymologie
*[B] van Middelnederlands "elf" in de brede betekenis van magisch wezen; in de betekenis van ‘kleine, vriendelijke natuurgeest’ van "Elf" voor het eerst aangetroffen in het jaar 1855
Vertalingen
Engelseleven, elf
Fransonze
Duitself
Spaansonce
Italiaansundici
Russischодиннадцать
Turkson bir, peri
Zweedselva
Deenselleve
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek