Els
mannelijk (de)/ɛls/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) benaming voor loofbomen uit het geslacht in de berkenfamilie ()
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) priemvorming werktuig bedoel om gaten mee te prikken
Etymologie
*B: (erfwoord): Middelnederlands "elsene", alsene, else, ontwikkeld uit Oergermaans *alasn(j)ō, uitbreiding van *alaz (waaruit Oudnoords alr), bij Indo-Europees *h₁h̥₁l-h₂-ós ‘els, priem’, genitief van *h₁éh₁l-eh₂, waartoe ook Duits Ahle, Sanskriet árā en Hotanees aiysna behoren. Evenals Nederduits Els, Zwitsers-Duits Alesne en Gotisch alisna.
Vertalingen
Engelsalder, awl
Fransaune, aulne, alêne
DuitsErle, Erlenbaum, Ahle
Spaansaliso, lezna
Italiaansontano, lesina, punteruolo
Poolsolcha
Zweedsal, syl, pryl
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek