priem

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gereedschap (gereedschap) handgreep met ronde, scherpgepunte staaf om kleine gaten of putjes in materiaal (leer) te steken
  2. bloemplanten (bloemplanten) benaming voor een bepaald soort plant,
  3. religie (religie) derde getijde van de dag, op het eerste uur
werkwoord
  1. wiskunde (wiskunde) een priemgetal zijnde
    het getal dertien is priem

Etymologie

* In de betekenis van ‘gebed’ voor het eerst aangetroffen in 1236

Vertalingen

Engelsawl
Fransalêne, poinçon
DuitsAhle