priem
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) handgreep met ronde, scherpgepunte staaf om kleine gaten of putjes in materiaal (leer) te steken
- (bloemplanten) benaming voor een bepaald soort plant,
- (religie) derde getijde van de dag, op het eerste uur
werkwoord
- (wiskunde) een priemgetal zijndehet getal dertien is priem
Etymologie
* In de betekenis van ‘gebed’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Vertalingen
Engelsawl
Fransalêne, poinçon
DuitsAhle
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek