engerling

mannelijk (de)/ˈɛŋərˌlɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dierkunde (dierkunde) benaming voor de larve van de meikever, ook gebruikt voor larven van andere kevers als de junikever en Johanneskever
    Hij miste de engerling, de larve van de meikever die je vond als je in de grond spitte. (…) Een engerling blijft een vies, eng ding dat het gazon aanvreet.
  2. figuurlijk, scheldwoord (figuurlijk) (scheldwoord) persoon die bij anderen angst en afkeer oproept
    Kent u dat rare kereltje ook al, riep de oude vrouw uit, wat een engerling hè, een kever, een doerak, je zou je straal in hem vergissen. Kom, kom, zei de zeeman sussend, het valt wel mee, zo erg is het niet met hem gesteld, hij is een beetje getikt, maar hij doet geen vlieg kwaad, ik ken hem al jaren, zijn vader was net zo.

Etymologie

*[2] ook op te vatten als afleiding van "eng" of "engerd"