erectie
vrouwelijk (de)/eˈrɛksi/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) oprichting van het mannelijk lid, meestal door seksuele opwindingHij kan geen erectie krijgen.Er gebeurden rare dingen in me wanneer we daar achter een paar struiken stonden en elkaar streelden zonder dat ze ook maar één keer mijn handen weghaalde. Het was niet alleen dat mijn hartslag toenam en ik een erectie kreeg, het was alsof ik werd opgepompt als een autoband en elk moment kon ontploffen.
- (verouderd) oprichting, opbouwing, bouw
Etymologie
* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘oprichting van de penis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1850
Vertalingen
Engelserection
Fransérection
DuitsErektion
Spaanserección
Portugeeserecção
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek