esprit

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geestigheid, spitsvondigheid
  2. korpsgeest, saamhorigheidsgevoel
  3. ziel
    Eigenlijk circuleert het werk van David Popper (1843-1913) alleen nog in cellistenkringen. En dat is onverdiend. Popper was geen man van de monumentale reikwijdte, maar zijn werk heeft een charme en een esprit die het merendeels doen ontstijgen aan de salon- en gebruiksmuziek.Volkskrant Frits van der Waa 2 april 2014

Etymologie

*uit het Frans

Uitdrukkingen

  • esprit de l'escaliergrapje dat pas te laat in je opkomt om nog te kunnen maken, een grap die komt als mosterd na de maaltijd

Vertalingen

Engelssoul