eten
onzijdig (het)/ˈetə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) het nuttigen van voedselWe gingen met de hele klas eten bij een pizzeria.Met mijn 43 jaar was ik duidelijk de oudste van het stel, de rest leek ergens tussen de twintig en vijfentwintig. Sommigen gingen wat eten en anderen zaten zwijgend voor zich uit te staren.Geef elkander van je brood, maar eet niet van hetzelfde stuk.
- meervoudige tegenwoordige tijd van etenJullie eten te veel.
zelfstandig naamwoord
- dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houdenHet eten was erg lekker.
- de maaltijdZij zorgt altijd voor het eten.
Etymologie
*Afkomstig van het Middelnederlandse eten, Oudsaksiche etan, Oudfriese eta, ita
Uitdrukkingen
- verandering van spijs doet eten
- eet ontbijt als een koning, lunch als een prins en dineer als een arme
- De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend. — de uitvoer van erg strenge maatregelen valt in de praktijk erg mee; de woorden van iemand worden minder zwaar opgepakt dan dat ze uitgesproken zijn
- Die niet werkt, zal niet eten. — wie bewust niet wil werken heeft geen recht op geld
- Ergens geen kaas van gegeten hebben — iets niet begrijpen of geen verstand van hebben
- Iemand de oren van het hoofd eten. — Verschrikkelijk veel eten (bij iemand).
- Met grote heren is het kwaad kersen eten — met hoge heren verlies je meestal
- Met lange tanden eten — met tegenzin eten
Vertalingen
Engelseat, food
Fransmanger, nourriture, manger
Duitsessen, Essen
Spaanscomer, comida, alimento
Italiaansmangiare
Russischесть
Japans食べる, たべる, taberu
Poolsjeść, jedzenie
Zweedsspisa, äta
Deensspise, æde
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek