evacueren

/evɑky'erə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets of iemand in veiligheid brengen i.v.m. een noodsituatie
    Het hele dorp werd geëvacueerd vanwege de komende vloedgolf.
    Ik ritste mijn tent weer open en scheen met mijn hoofdlamp onder mijn tentzeil. Daar zag ik tot mijn verbazing duizenden termieten die in lange colonnes hun larven aan het evacueren waren vanwege mijn aanwezigheid.
    Gelukkig dekte mijn zorgverzekeraar mijn avontuur, maar voor de zekerheid had ik een aanvullende search and rescue-polis afgesloten mocht ik met de helikopter geëvacueerd moeten worden.
  2. erga (erga) de woonplaats voor de veiligheid verlaten
    Nog geen etmaal later stond de kerk zeker een meter onder water. Daar hadden de Moerdijkers toen geen oog voor. Zij evacueerden massaal. [http://www.bndestem.nl/regio/moerdijk/8077430/Moerdijkse-jongen-verdronk-twee-keer.ece BN DeStem]
  3. ov, medisch, eufemisme (ov) (medisch) (eufemisme) het lichaam ledigen van ongewenste lichaamsproducten, d.i. uitpoepen, uitplassen, uitbraken e.d.

Etymologie

*[3] In de medische betekenis van “afvoeren uit het lichaam, doen braken” aangetroffen sinds de 14e eeuw.

Vertalingen

Engelsevacuate
Fransévacuer
Duitsevakuieren
Spaansevacuar