evacueren
/evɑky'erə(n)/
Wat is de betekenis van evacueren?
evacueren betekent: (ov) iets of iemand in veiligheid brengen i.v.m. een noodsituatie
Betekenis
werkwoord
- (ov) iets of iemand in veiligheid brengen i.v.m. een noodsituatie
- (erga) de woonplaats voor de veiligheid verlaten
- (ov) (medisch) (eufemisme) het lichaam ledigen van ongewenste lichaamsproducten, d.i. uitpoepen, uitplassen, uitbraken e.d.
Voorbeelden van "evacueren" in een zin
- Het hele dorp werd geëvacueerd vanwege de komende vloedgolf.
- Ik ritste mijn tent weer open en scheen met mijn hoofdlamp onder mijn tentzeil. Daar zag ik tot mijn verbazing duizenden termieten die in lange colonnes hun larven aan het evacueren waren vanwege mijn aanwezigheid.
- Gelukkig dekte mijn zorgverzekeraar mijn avontuur, maar voor de zekerheid had ik een aanvullende search and rescue-polis afgesloten mocht ik met de helikopter geëvacueerd moeten worden.
- Nog geen etmaal later stond de kerk zeker een meter onder water. Daar hadden de Moerdijkers toen geen oog voor. Zij evacueerden massaal. [http://www.bndestem.nl/regio/moerdijk/8077430/Moerdijkse-jongen-verdronk-twee-keer.ece BN DeStem]
Etymologie
*[3] In de medische betekenis van “afvoeren uit het lichaam, doen braken” aangetroffen sinds de 14e eeuw.
Vertalingen
Engelsevacuate
Fransévacuer
Duitsevakuieren
Spaansevacuar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek