evenwicht

onzijdig (het)/ˈevə(n)ˌwɪxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) toestand waarin het gewicht aan beide zijden van een balans gelijk is
    Door toevoeging van dat laatste gewicht kwam de weegschaal weer in evenwicht.
  2. bij uitbreding: toestand waarbij verschillende op eenzelfde lichaam werkende krachten elkaar opheffen
    Uiteindelijk stopte de wijzer met heen en weer bewegen en kwam bij de waarde 73,5 A in evenwicht.
    Toen stootte hij mij aan met zijn elleboog. Ik verloor bijna mijn evenwicht.
  3. toestand van rust of overeenstemming, doordat van verschillende krachten geen de andere te zeer overtreft en er een situatie van rust en kalmte bestaat
    Het politieke krachtenveld was in evenwicht.
    Het volk ' 'Als er iets is wat het evenwicht in een land ontwricht, is het wel het woord "dwang", meneer Robles ' Met een stralende lach voegde hij eraan toe: 'Maar op deze manier ontwrichten we nog de lunch van uw zus.
  4. psychologie (psychologie) toestand van overeenstemming tussen neigingen en vermogens
    Na een roerige periode in zijn leven kwam hij na zijn trouwen eindelijk in evenwicht.
  5. scheikunde (scheikunde) toestand waarbij geen verdere omzetting meer plaatsheeft of die in de ene richting gelijk is aan die in de andere

Etymologie

* (=gewicht)

Uitdrukkingen

  • in evenwicht blijven / het evenwicht bewarenovereind blijven, niet vallen

Vertalingen

Engelsequilibrium, balance
Franséquilibre
DuitsGleichgewicht
Spaansequilibrio
Italiaansequilibrio
Poolsrównowaga
Zweedsjämvikt
Deensligevægt, balance