façade

vrouwelijk (de)/fa.ˈsa.də/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de zichtbare buitenmuur van een gebouw, specifiek die aan de voorkant
    De façades van woonhuizen zijn in de loop der eeuwen geëvolueerd.
    Ergens achter deze lonkende façades in het zuchtende praalgraf van de stad moest zich een straat bevinden die Calle Nuova Sant'Agnese heette.
  2. dysfemisme (dysfemisme) het gezicht
    "Als je nu niet binnen de tien seconden uit mijn ogen bent, zal ik je façade ook vertimmeren", tierde de stiefvader.
  3. valse schijn
    De hele onderneming was slechts een façade.

Etymologie

*Leenwoord uit het Frans, op zijn beurt afkomstig van het Italiaanse facciata dat weer van het Latijnse facies (gezicht) afkomstig is.

Vertalingen

Engelsfacade
Fransfaçade
DuitsFassade
Spaansfachada
Italiaansfacciata
Portugeesfachada
Russischфасад
Zweedsfasad