falen
/ˈfalə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) het doel dat men zich gesteld had niet bereikenZij falen in hun opzet.
- (onpr), (intr) mislukken, niet slagenZijn pogingen faalden.
- (intr) achterwege blijven, missen [7], ontbreken
- (intr) niet toereikend zijn, tekortschietenMijn krachten falen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘in gebreke blijven, mislukken’ voor het eerst aangetroffen in 1285
Vertalingen
Engelsfail
Franséchouer
Duitsscheitern
Spaansfallar
Russischпровалить
Zweedsklicka
Deensdumpe
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek