falen

/ˈfalə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. inerg (inerg) het doel dat men zich gesteld had niet bereiken
    Zij falen in hun opzet.
  2. onpr, intr (onpr), (intr) mislukken, niet slagen
    Zijn pogingen faalden.
  3. intr (intr) achterwege blijven, missen [7], ontbreken
  4. intr (intr) niet toereikend zijn, tekortschieten
    Mijn krachten falen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘in gebreke blijven, mislukken’ voor het eerst aangetroffen in 1285

Vertalingen

Engelsfail
Franséchouer
Duitsscheitern
Spaansfallar
Russischпровалить
Zweedsklicka
Deensdumpe