farce
mannelijk/vrouwelijk (de)/fɑrs/
Wat is de betekenis van farce?
farce betekent: (figuurlijk) (pejoratief) belachelijke of misleidende gang van zaken
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (figuurlijk) (pejoratief) belachelijke of misleidende gang van zaken
- (toneel) humoristisch theaterstuk, met in het plot veelal een samenloop van omstandigheden die tot hilariteit/hilarische momenten leiden
- (voeding) (kookkunst) vulsel of vulling voor gerechten, meestal op basis van fijngehakt vlees of vis
Voorbeelden van "farce" in een zin
- Dat optreden van die twee oude vrouwen was een farce.
- De openbaarheid die zo vaak gepredikt wordt, blijkt in de praktijk maar al te vaak een farce, zich uitend in tergende obstructie waarna de rechter er aan te pas moet komen.
- De vraag naar 'het komische' van de farce is welbeschouwd onnodig: de komische kracht van de farce ligt precies in de mechanische, machinale structuur die de farce in haar ogen als genre definieert.
- Snijd 1 kipfilet in stukjes en pureer deze in een keukenmachine, samen met 1 ei, knoflook en room, tot een zogenaamde farce.
Etymologie
*van "farce", oorspronkelijk "vulling", later ook "klucht, blijspel" (omdat die als opvulling in een programma gebruikt werden), in de betekenis van ‘dwaze grap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1617, de pejoratieve, figuurlijke betekenis heeft zich weer hieruit ontwikkeld
Vertalingen
Engelsfarce, sham, farce
Fransfarce, comédie, farce
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek