farmaceut

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die beroepsmatig geneesmiddelen bereidt en verkoopt
    In de Verenigde Staten toonden farmaceuten in juni na onderzoek aan dat niet gebrek aan beweging de grote boosdoener achter het massaal voorkomen van overgewicht in het land is, maar het consumeren van frisdrank. [http://www.nu.nl/eten-en-drinken/4118064/cardiologen-doen-frisdrank-in-ban.html www.nu.nl]
  2. bedrijf dat medicamenten maakt

Etymologie

* van Oud-grieks φαρμακευτής (pharmakeutês) van farmacon (φάρμακον)

Vertalingen

Engelspharmacist
Spaansfarmacéutico
Italiaansfarmacista
Turkseczacı
Poolsaptekarz
Deensfarmaceut