fata

/ˈfata/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beleefde gebeurtenissen
    Het is toeval dat ons op die foto samenbracht. Tekenender voor die tijd is dat zijn andere buurman iemand is die wél een vriend van hem was; die zou enkele jaren later als SS’er aan het Oostfront sneuvelen. Fata van een generatie, die bijna uitgestorven is.

Etymologie

*van Latijn "fata"