fats

mannelijk (de)/fɑts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart, geschiedenis (scheepvaart) (geschiedenis) strook die onderaan een zeil wordt vastgemaakt om meer wind te vangen
    fatsen, of onderbonnetten, ten opsigte van de boovenste daar sij aan gereegen werden (…)

Etymologie

*van "fasce" "horizontale band in een wapenschild of van een architraaf"

Uitdrukkingen

  • op de fatsen zijn