fats
mannelijk (de)/fɑts/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) (geschiedenis) strook die onderaan een zeil wordt vastgemaakt om meer wind te vangenfatsen, of onderbonnetten, ten opsigte van de boovenste daar sij aan gereegen werden (…)
Etymologie
*van "fasce" "horizontale band in een wapenschild of van een architraaf"
Uitdrukkingen
- op de fatsen zijn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek