fatsen
/ˈfɑtsə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) (onderwijs) (Belgisch-Nederlands) zonder toestemming afwezig zijn bij lessen op schoolWat betekent ’spijbelen’? In Antwerpen heet dat ‘fatsen’.jonge schilders:Het liedje dus uit Rubens tijd,Van fatsen en ravotten?consuls en poorters:Van fatsen en ravotten....De jeugd was toen wat gij nu zijt.jonge schilders:‘Ravotten, komt ravotten!Zulk weer is voor geen zotten:Vandaag ter schole niet!’
- (inerg) (informeel) (verouderd) zich langzaam of met enige inspanning te voet verplaatsen
Etymologie
**: mogelijk verwant aan "vadsig"
Uitdrukkingen
- op de fatsen zijn
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek