lopen
/ˈlopə(n)/
Wat is de betekenis van lopen?
lopen betekent: (Noord-Nederlands) (erga) stappen, gaan, wandelen
Betekenis
werkwoord
- (Noord-Nederlands) (erga) stappen, gaan, wandelen
- (Zuid-Nederlands) (erga) rennen
- (Noord-Nederlands) (inerg) stappen, gaan
- (Zuid-Nederlands) (inerg) rennen
- (erga) voortgang maken
- (erga) vloeien of stromen
- (auxl) ~ te: duratief hulpwerkwoord, iets doen terwijl men loopt
- grammaticaal in orde zijn
Voorbeelden van "lopen" in een zin
- Lopen naar het stadhuis is sneller dan met de auto.
- Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen.
- Meteen liep ik naar mijn tent die onder het gewicht van de sneeuw voor de helft bleek te zijn ingestort.
- Je zal moeten lopen als je de trein nog wil halen.
- Hij heeft gisteren een heel stuk gelopen.
Etymologie
:Oost: : hlaupan
Uitdrukkingen
- Lopen als een kievit — erg gemakkelijk en vlug lopen
- Aan de leiband lopen — niet zelfstandig een beslissing kunnen nemen, maar het laten afhangen van een ander
- Als een lopend vuurtje — (een nieuwtje dat) gauw door de hele gemeenschap doorverteld
- Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heen. — als twee personen ruzie hebben of er niet uit komen, kan een derde daarvan profiteren
- De gal loopt over — boos worden
- De kantjes er vanaf lopen — Zijn best niet doen
- een blauwtje lopen
- Er loopt een streep door
Vertalingen
Engelswalk, run, get out of hand
Fransmarcher, promener, déraper
Duitsgehen, laufen, schreiten
Spaanscaminar, andar, correr
Italiaanscamminare, andare a piedi
Portugeesandar
Russischходить, идти
Chinees走
Japans歩く
Koreaans걷다
Arabischمشى
Turksyürümek
Poolsiść, chodzić
Zweedsgå
Deensgå
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek