lopen

/ˈlopə(n)/

Wat is de betekenis van lopen?

lopen betekent: (Noord-Nederlands) (erga) stappen, gaan, wandelen

Betekenis

werkwoord
  1. erga (Noord-Nederlands) (erga) stappen, gaan, wandelen
  2. erga (Zuid-Nederlands) (erga) rennen
  3. inerg (Noord-Nederlands) (inerg) stappen, gaan
  4. inerg (Zuid-Nederlands) (inerg) rennen
  5. erga (erga) voortgang maken
  6. erga (erga) vloeien of stromen
  7. auxl (auxl) ~ te: duratief hulpwerkwoord, iets doen terwijl men loopt
  8. grammaticaal in orde zijn

Voorbeelden van "lopen" in een zin

  • Lopen naar het stadhuis is sneller dan met de auto.
  • Jack was een kale man van in de zestig die 35 jaar geleden zelf de PCT had gelopen.
  • Meteen liep ik naar mijn tent die onder het gewicht van de sneeuw voor de helft bleek te zijn ingestort.
  • Je zal moeten lopen als je de trein nog wil halen.
  • Hij heeft gisteren een heel stuk gelopen.

Etymologie

:Oost: : hlaupan

Uitdrukkingen

  • Lopen als een kieviterg gemakkelijk en vlug lopen
  • Aan de leiband lopenniet zelfstandig een beslissing kunnen nemen, maar het laten afhangen van een ander
  • Als een lopend vuurtje(een nieuwtje dat) gauw door de hele gemeenschap doorverteld
  • Als twee honden vechten om een been, loopt de derde er mee heen.als twee personen ruzie hebben of er niet uit komen, kan een derde daarvan profiteren
  • De gal loopt overboos worden
  • De kantjes er vanaf lopenZijn best niet doen
  • een blauwtje lopen
  • Er loopt een streep door

Vertalingen

Engelswalk, run, get out of hand
Fransmarcher, promener, déraper
Duitsgehen, laufen, schreiten
Spaanscaminar, andar, correr
Italiaanscamminare, andare a piedi
Portugeesandar
Russischходить, идти
Chinees
Japans歩く
Koreaans걷다
Arabischمشى
Turksyürümek
Poolsiść, chodzić
Zweeds
Deens