fatsoen

onzijdig (het)/fɑt'sun/

Wat is de betekenis van fatsoen?

fatsoen betekent: goede manieren

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. goede manieren

Voorbeelden van "fatsoen" in een zin

  • Probeer je fatsoen te bewaren, hoe boos je ook bent.

Betekenis en uitleg van fatsoen

Fatsoen verwijst naar de normen en waarden die we in onze omgang met anderen in acht nemen. Het gaat om beleefdheid, respect en een bepaalde gedragsvorm die ervoor zorgt dat mensen zich comfortabel en gewaardeerd voelen in sociale situaties.

Dit woord wordt vaak gebruikt wanneer mensen het hebben over hoe men zich hoort te gedragen in verschillende sociale contexten, zoals op het werk, tijdens een diner of in het openbaar. Fatsoen kan ook variëren afhankelijk van cultuur en context; wat in de ene situatie als fatsoenlijk wordt beschouwd, kan in een andere als ongepast worden gezien. Het benadrukt het belang van consideratie voor anderen in de samenleving.

Voorbeelden

  • Tijdens het diner was het belangrijk om fatsoen te bewaren en niet met volle mond te praten.
  • Hij vond het fatsoenlijk om zich voor te stellen aan de gasten voordat hij hen om hulp vroeg.
  • In de klas is het essentieel dat leerlingen fatsoen tonen naar hun medeleerlingen en de docent.

Woordoorsprong

Het woord fatsoen komt van het Middelnederlandse 'fatsoen', dat een verband vertoont met het Franse 'façon', wat 'wijze' of 'manier' betekent.

Veelgestelde vragen over fatsoen

Wat is de betekenis van fatsoen?

fatsoen betekent: goede manieren

Welk woordgeslacht heeft fatsoen?

fatsoen is een onzijdig (het).

Hoe gebruik je fatsoen in een zin?

Voorbeeld: “Probeer je fatsoen te bewaren, hoe boos je ook bent.

Etymologie

* Van het Franse façon "manier, wijze" (waar ook het Engelse fashion van is afgeleid). In de betekenis van ‘welgemanierdheid’ voor het eerst aangetroffen in 1714

Uitdrukkingen

  • Een kwestie van goed fatsoen
  • Zijn fatsoen houdenZich fatsoenlijk gedragen (vooral in de imperatieve vorm: Hou je fatsoen! e.d.)

Vertalingen

Engelsdecency, decorum, propriety
Franssavoir-vivre, décence
DuitsAnstand
Spaansdecencia, decoro, buenas costumbres