fatsoen
onzijdig (het)/fɑt'sun/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- goede manierenProbeer je fatsoen te bewaren, hoe boos je ook bent.
Etymologie
* Van het Franse façon "manier, wijze" (waar ook het Engelse fashion van is afgeleid). In de betekenis van ‘welgemanierdheid’ voor het eerst aangetroffen in 1714
Uitdrukkingen
- Een kwestie van goed fatsoen
- Zijn fatsoen houden — Zich fatsoenlijk gedragen (vooral in de imperatieve vorm: Hou je fatsoen! e.d.)
Vertalingen
Engelsdecency, decorum, propriety
Franssavoir-vivre, décence
DuitsAnstand
Spaansdecencia, decoro, buenas costumbres
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek