fatsoeneren

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. iets of iemand netjes maken / in orde brengen
    Patterson wisselde na zijn werk van auto met zijn vrouw Stephanie om hun zoontje naar huis te brengen, zodat zijn vrouw een avondje uit kon. Wat een doodnormale rit had moeten worden, werd een nachtmerrie. De kleine jongen moest flink overgeven, tot wanhoop van zijn vader. Patterson kon de stank niet aan. ,,Ik heb de auto aan de kant gezet en probeer zelf niet over te geven", stuurde hij naar zijn vrouw.Zijn wederhelft gaf echter niet thuis, wat nog een flinke reeks radeloze berichten opleverde. 'Bel me', 'Ik heb zelf net moeten braken, terwijl ik hem probeerde te fatsoeneren, 'Het stinkt verschrikkelijk'. Tubantia 10-januari-2017,

Etymologie

*afleiding van fatsoen

Vertalingen

Engelsmake decent