fatsoensrakker
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- iemand die zijn normen en waarden aan anderen wil opleggenAndré Rouvoet maakt topdagen door. Nog niet zo lang geleden had hij op het Binnenhof de naam een fatsoensrakker te zijn. 'Een roepende in de woestijn', suggereert hij zelf. Dat krijg je ervan als je jarenlang tegen de stroom in roeit met pleidooien tegen huwende homoseksuelen, casino's en vloekende medeburgers. Tegen de flagrante schendingen van de zondagsrust, blote dansende mannen en tegen de 'amorele overheid', zoals die volgens Rouvoet door de atheïstische paarse kabinetten werd opgetuigd.Volkskrant Raoul du Pré 7 januari 2003
Etymologie
* In de betekenis van ‘zedenmeester’ voor het eerst aangetroffen in 1935
Vertalingen
Engelsmoral sendor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek