feestrede

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfestredə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een toespraak ter gelegenheid van een feestelijke gebeurtenis
    "Reformationsjubiläum 2017" is vooral een kijk- en luisterboek geworden. De vele foto’s –en een dvd van ruim een uur– laten weer eens zien hoe groots de Duitsers de herdenking van vijfhonderd jaar Reformatie hebben opgepakt. Daar is bondskanselier Angela Merkel, die op 31 oktober een feestrede in het stadhuis van Wittenberg hield. De herdenkingsbijeenkomst in de Slotkerk, vol kerkleiders en hoogwaardigheidsbekleders. Reformatorisch Dagblad M. Stolk 17 december 2018 [https://www.rd.nl/kerk-religie/wat-het-reformatiejaar-2017-heeft-opgeleverd-1.1535082 Wat het Reformatiejaar 2017 heeft opgeleverd]
    Feestrede voor de mijnwerkers hier, praatje voor de plattelandsvrouwen daar. In plaats van: weg met al die onzin, ik ga een meesterwerk schrijven. Tubantia A. Gelder 11 januari 2017 [https://www.tubantia.nl/show/godfried-bomans-pakt-ook-op-het-toneel-iedereen-in~af2bf629/ Godfried Bomans pakt ook op het toneel iedereen in]
    De bijeenkomst, 400 Jaar ’t Kan Verkeeren!, maakt deel uit van een groot aantal activiteiten in het kader van de sterfdag van Bredero. Acteurs en andere liefhebbers spelen en duiden scènes uit zijn bekendste toneelstukken De Spaanse Brabander en De Klucht van de Koe. "Ook in zijn tijd moest Nederland positie kiezen tegenover immigranten en kende de maatschappij winnaars en verliezers", stelt de organisatie Bredero 2018. "Wat zijn werk voor vandaag betekent horen we in gesproken columns, een feestrede en een gesprek over de Nederlandse toneeltraditie." De Telegraaf 24 juli 2018 [https://www.telegraaf.nl/entertainment/2345892/mark-rietman-en-herman-pleij-herdenken-bredero Mark Rietman en Herman Pleij herdenken Bredero]