feestvierder
mannelijk (de)/ˈfes(t)firdər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- deelnemer aan een feestFestivals, carnaval, kampioenschappen van PSV – zeventien jaar lang was Jorn van Osch (42) er altijd bij. Niet als feestvierder, maar als beveiliger, voor hem een soort hobby naast zijn reguliere baan als vrachtwagenchauffeur.Ook op het Vrijthof in Maastricht zijn zondagmiddag volgens de regionale omroep L1 een paar honderd mensen bijeengekomen. Het is er gezellig en rustig, maar ook daar heeft de politie feestvierders gevraagd de feestelijkheden thuis voort te zetten.
- iemand die vaak of graag feest viertVooral de jongeren die de hele nacht willen zuipen blijven nu weg, zeggen de eilandbewoners. Er zijn minder toeristen, en het zijn ándere toeristen. Meer gezinnen en stellen. Ze zijn er niet rouwig om dat die feestvierders wegblijven, want die veroorzaken niet zelden ellende en geven weinig uit in restaurants.Giri zei dat hij geen ervaren feestvierder is. Zijn Georgische vrouw Sopiko wel, die vond bijna iedere dag wel aanleiding voor een feestje, maar zelf zou hij zich bij zijn secondanten voegen om te controleren of ‘my boys’, zoals hij ze noemde, wel hard gewerkt hadden toen hij thuis het toernooi speelde.
Etymologie
* van feestvieren
Vertalingen
Engelspartygoer
Fransfêtard
DuitsPartylöwe
Spaansjuerguista, fiestero
Italiaansfestaiolo
Portugeesfesteiro
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek