feest

onzijdig (het)/fest/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. vermakelijke en vreugdevolle sociale bijeenkomst
    Ondanks het feit dat Nederland de finale tegen Spanje verloren had, was het bij de huldiging één groot feest.
    ' 'Ja, señor?' 'Denk je dat de mensen in het dorp het leuk zouden vinden als we een feest gaven?' Een feest van de Schlosses zou volgens Teresa het mooiste zijn wat het dorp ooit had meegemaakt - en zij zou daarvan het middelpunt zijn, zij zou het organiseren.
    Een ander zou er misschien van hebben gebaald dat hij in apenpakkie was verschenen op een feest waar iedereen zijn normale kloffie droeg, maar Casper zag er de lol wel van in.
  2. een fijne gebeurtenis in het algemeen
    Het was altijd een feest als ik op een kleine waterbron recht uit de berg stuitte. Dit frisse water uit de ondergrondse meren (aquifers geheten) dronk ik direct uit de berg, zonder het te hoeven filteren.

Etymologie

*via Middelnederlands "feeste" via "feste" van Latijn "festa" ("dies"); in de betekenis van ‘viering’ aangetroffen vanaf 1265

Uitdrukkingen

  • Het feest is voorbijDe situatie wordt nu ernstig, het wordt menens
  • Liever te dik in de kist dan een feestje gemistJe kunt beter iets korter leven en dan wel veel plezier hebben gehad
  • steef

Vertalingen

Engelsparty
Fransfête
DuitsFest
Spaansfiesta
Italiaansfesta