feestweek

mannelijk/vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een week waarin men feest viert; een week die men gebruikt om feest te vieren
    Met een playbackshow, de prijsuitreiking van de ballonnenwedstrijd en muziek in de tent, kende Westerhaar zaterdag een passende afsluiting van een gevarieerde feestweek. Tubantia Ferry de Goeijen 10-06-18 [https://www.tubantia.nl/twenterand/feestweek-westerhaar-kent-een-passende-afsluiting~aeb119ce/ Feestweek Westerhaar kent een passende afsluiting]
    Bewoners van de direct naast de ijshal gelegen woningen mogen bovendien negen dagen naar een hotel, op kosten van Augustinus. De politie zal tijdens de feestweek extra patrouilleren en er zullen ook geluidsmetingen zijn. Tubantia David Bremmer 01-07-18,[https://www.tubantia.nl/binnenland/studentenvereniging-viert-lustrum-buurt-negen-dagen-hotel-in~aaed1737/ Studentenvereniging viert lustrum, buurt negen dagen hotel in]
    De openbare basisschool in Markvelde is na een feestweek nu definitief gesloten. Tubantia Jelle Boesveld 21-07-18, [https://www.tubantia.nl/achterhoek/school-markvelde-is-nu-echt-dicht~a1cb3436/ School Markvelde is nu echt dicht]