ferment
onzijdig (het)/fɛrˈmɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (biologie) stof waarin gistcellen zitten, zodat contact met die stof gisting kan veroorzakenMaar graan gist niet vanzelf. Het moet eerst ontkiemen, waarbij het zetmeel wordt omgezet in vergistbare suiker, en dan moeten er fermenten aan worden toegevoegd. Naar alle waarschijnlijkheid is dat oudste ferment gevonden in menselijk speeksel. (…) Bier zal ook wel bij toeval ontdekt zijn doordat iemand spuwde in een brij van uitgelopen graankorrels, waardoor deze ging gisten.
- (figuurlijk) aanzet die op zichzelf niet zo sterk is, maar een zichzelf versterkende ontwikkeling op gang brengtDoor de positieve kracht van de levensaanvaarding die van haar literair werk uitgaat, heeft Jet Jorssen onbetwistbaar een kostbaar ferment aan het bouwwerk van een betere wereld toegevoegd.
- (scheikunde) (verouderd) stof die het verloop van een chemische reactie bevordert zonder daar zelf aan deel te nemenIn de mondholte wordt het voedsel buitendien nog met speeksel vermengd, een vocht, dat door drie ter weerszijden van de mondholte gelegen klieren afgescheiden wordt. Het bevat een ferment, dat zetmeel omzet in druivensuiker.
Etymologie
*via "ferment" van Latijn "fermentum", in de betekenis 'giststof' aangetroffen vanaf 1650 [https://dbnl.org/tekst/hofm005nede02_01/hofm005nede02_01_0050.php?q=fermenthl1 Nederlandtsche woorden-schat. (1650) Thomas Fonteyn, Haarlem]; p. 64; geraadpleegd 2019-01-08
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek