kiem
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- beginsel waaruit iets groeitHet water was besmet met de kiemen van een dodelijke ziekte.
Etymologie
* In de betekenis van ‘beginsel, uitloper’ voor het eerst aangetroffen in 901
Uitdrukkingen
- iets in de kiem smoren — iets elimineren voordat het een probleem wordt
Vertalingen
Engelsgerm
Fransgerme
DuitsKeim
Spaansgermen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek