fiducie

vrouwelijk (de)/fiˈdysi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gevoel dat iets of iemand zeker aan verwachtingen zal voldoen
    Zelfs in de achterbuurten en op het platteland heeft men meer fiducie in de kwaliteiten van een arts met een rokkostuum, een witte das en een hoge hoed dan in die van een eenvoudig geklede geneesheer met een pet op het hoofd.

Etymologie

* van Latijn "fiducia", in de betekenis van ‘vertrouwen’ voor het eerst aangetroffen in 1787

Vertalingen

Engelsconfidence, faith, trust
Spaansfe