fijntjes
/ˈfɛincəs/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- op een fijne, subtiele wijzeeen blaadje, een takje, zo fijntjes en lieflijk weergegeven dat het soms lijkt alsof het zonlicht erdoorheen schijnt.
- (figuurlijk) netjes en correct (van gedrag)Lang geleden, ik geloof wel meer dan twintig jaar, ben ik eens bij de Eerwaarde Moeder op bezoek geweest en mocht toen ook eens een kijkje inde school nemén, ’t Zag er fijntjes uit, hoor en o, zulke aardige kindertjes.
- (figuurlijk) op (religieus) dogmatische, strenge wijzeDe Katholijken klagen, dat hunne regten miskend worden: onze humorist klaagt dat »in de buitenlandsche zoowel als in de binnenlandsche politiek eene neiging ontwaard wordt tot de kerk van Rome en hare belijders, die reeds menigen vrijzinnigen en onbevooroordeelden patriot heeft gestuit." Fijntjes, nietwaar?
- (figuurlijk) teer en tenger
Etymologie
*: afgeleid van "fijn"
Uitdrukkingen
- fijntjes lachen, glimlachen — de zaak doorzien, maar stilletjes dat voor zich houden
- iets fijntjes opmerken — iets fijnzinnig, op indirecte wijze opmerken, op subtiele wijze op iets wijzen
- iemand fijntjes beetnemen — iemand op een slimme, subtiele manier bedriegen.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek