flambeeuw

mannelijk/vrouwelijk (de)/flɑmˈbew/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verouderd (verouderd) staak met aan één uiteinde brandbaar materiaal dat wordt aangestoken om als lichtbron te dienenOorspronkelijk zat aan het uiteinde een takkenbundel, later werd dit vervangen door een kaars in een lantaarn
    Beide stapten op het feest van ‘St Catlyne’ met een flambeeuw in de hand in de maandelijkse processie op St Gillis ter ere van de Allerheiligste Drievuldigheid tot stichting van de gelovigen en van de weldoeners van de confrerie.

Etymologie

*via Middelnederlands "flambeeu" van ; het meer gangbare woord flambouw is ontleend aan het verwante "flambeau" in het Frans [http://nordnum.univ-lille.fr/ark:/72505/a011404804908f1gr5c/783ea9f5a4 "flambée" in: Glossaire étymologique et comparatif du patois picard, ancien et moderne (1851) Dumoulin / V. Didron / Techener, Paris]; p. 409; (Frans) geraadpleegd 2019-08-29