flap

mannelijk (de)/flɑp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. korte snelle beweging of het geluid dat een vlak van soepel materiaal bij zo'n beweging maakt
  2. omgeslagen stuk van een lap textiel
  3. medisch (medisch) omgeslagen stuk van een lap vlees of weefsel
  4. kookkunst (kookkunst) koek of gebak uit dun deeg dat om een vulling is geslagen appelflap
  5. groot vel papier aan een bord
  6. klep om iets af te sluiten
  7. boekbinderij (boekbinderij) naar binnen omgeslagen deel van een losse boekomslag
    Op de flap voorin stond een kort stukje over de auteur
  8. informeel (informeel) betaalmiddel in de vorm van een gedrukt biljet
  9. plantkunde (plantkunde) benaming voor zoetwateralgen die een door elkaar gestrengelde massa vormen
tussenwerpsel
  1. doffe geluid zoals dat ontstaat bij een snelle, korte beweging van een soepel vlak
  2. om een snelle, korte beweging aan te geven
zelfstandig naamwoord
  1. luchtvaart (luchtvaart) beweegbare klep aan een vliegtuigvleugel, bij het landen uitgeklapt om het draagvlak te vergroten
  2. boekbinderij (boekbinderij) naar binnen omgeslagen deel van een los boekomslag
    Op de flap achterin wordt zijn vorige boek aangeprezen.
  3. fonetiek (fonetiek) korte medeklinker die in het spraakkanaal wordt geproduceerd zonder extra opbouw van lucht
    De alveolaire flap.

Etymologie

**[2] zie onder [A 7] voor een uitspraakvariant