flap
mannelijk (de)/flɑp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- korte snelle beweging of het geluid dat een vlak van soepel materiaal bij zo'n beweging maakt
- omgeslagen stuk van een lap textiel
- (medisch) omgeslagen stuk van een lap vlees of weefsel
- (kookkunst) koek of gebak uit dun deeg dat om een vulling is geslagen appelflap
- groot vel papier aan een bord
- klep om iets af te sluiten
- (boekbinderij) naar binnen omgeslagen deel van een losse boekomslagOp de flap voorin stond een kort stukje over de auteur
- (informeel) betaalmiddel in de vorm van een gedrukt biljet
- (plantkunde) benaming voor zoetwateralgen die een door elkaar gestrengelde massa vormen
tussenwerpsel
- doffe geluid zoals dat ontstaat bij een snelle, korte beweging van een soepel vlak
- om een snelle, korte beweging aan te geven
zelfstandig naamwoord
- (luchtvaart) beweegbare klep aan een vliegtuigvleugel, bij het landen uitgeklapt om het draagvlak te vergroten
- (boekbinderij) naar binnen omgeslagen deel van een los boekomslagOp de flap achterin wordt zijn vorige boek aangeprezen.
- (fonetiek) korte medeklinker die in het spraakkanaal wordt geproduceerd zonder extra opbouw van luchtDe alveolaire flap.
Etymologie
**[2] zie onder [A 7] voor een uitspraakvariant
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek