flapdrol
mannelijk (de)/ˈflɑpdrɔl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheldwoord) (pejoratief) vent van niets, slappelingnog in 2009 werd in het parlement een minister door een kamerlid uitgemaakt voor flapdrol
Etymologie
* In de betekenis van ‘stommerd’ voor het eerst aangetroffen in 1899
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek