flard

mannelijk/vrouwelijk (de)/flɑrt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. onregelmatig afgescheurd of afgebroken stuk
    In de operahuizen krijgt het zeilschip altijd een gestileerde uitbeelding. We zien een flard van een zeil, een stuk boeg en mast.
  2. figuurlijk (figuurlijk) klein onsamenhangend stuk, korte gedeeltelijke waarneming
    Het is geen kunst bij de entree van de Amstelstraat, komend van het Rembrandtplein, een flard van triestheid door het hart te voelen gaan.

Etymologie

*(klanknabootsing), in de betekenis van ‘afgescheurde lap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1600