flikker

mannelijk (de)/ˈflɪkər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheldwoord (scheldwoord) gemene/vervelende man, klootzak
    Bij verstek werd wegens beleediging f 5 boete of 5 dagen hechtenis geeischt tegen J. De F., huisvr. van J. M., die den groentenboer L. v. N. bij zijn woning in de Twentstraat bij het Kortenbosch uitschold voor „flikker”. Deze vervolging was blijkbaar uitgelokt uit wraak nadat de vrouw van den groentenboer v. N. onlangs is veroordeeld wegens het gooien met peper naar de tegenwoordige beklaagde, eene buurvrouw van den groentenboer v. N.
    Aaltje B., 28 jaar, verlaten huisvr. v. Hendrik G., te den Helder, stond terecht voor beleediging van den slaapsteehouder P. Kindt te den Helder wien zij de woorden: „je bent een vuile flikker" had toegeroepen. Dit gebeurde den 9den Mei toen getuige op den logeerzolder was en getuige binnenkwam.
    Wat een flikker ben je toch ook!
  2. informeel, anatomie (informeel) (anatomie) niet nader geduid deel van het menselijk lichaam, vaak het zitvlak (vrijwel uitsluitend in de uitdrukking op zijn flikker geven).
    Je hebt hem toch wel op z'n flikker gegeven, hè?
  3. informeel (informeel) geen ~ helemaal niets
    Ik zie geen flikker!
    "Je doet geen flikker", zei ze zeer vermanend.
  4. scheldwoord, lhbt (scheldwoord), (lhbt) iemand van het mannelijke geslacht met een seksuele voorkeur voor andere mannen
    Ga toch weg, flikker!

Etymologie

**[4] mogelijk een (verkorting) van "sodeflikker"; voor het eerst aangetroffen in 1916 .

Vertalingen

Engelspoof, faggot
Franspédé, tapette
DuitsHomo, Schwule
Spaansmarica, culero
Italiaansfinocchio, frocio