fluwijn

onzijdig (het)/flyˈwɛin/

Wat is de betekenis van fluwijn?

fluwijn betekent: hoes waarin een zak past met zacht materiaal, waarop je prettiger zit of waarop je je hoofd kunt leggen als je gaat liggen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. hoes waarin een zak past met zacht materiaal, waarop je prettiger zit of waarop je je hoofd kunt leggen als je gaat liggen
zelfstandig naamwoord
  1. roofdieren (roofdieren) bepaald soort marterachtig zoogdier dat buiten de Lage Landen ook in andere delen van Europa en Azië voorkomt

Voorbeelden van "fluwijn" in een zin

  • De Dulle-van-den-Ast ligt in het diepe bed onder een bijna zwarte sargie. Geen lakens, maar een wit fluwijn. Daarop ligt een pak woest haar, gelijk vlas, en een aangezicht merkt men er niet in, behalve de sterke buizerdsneus, die bovenuitsteekt als verkleurde kalk.
  • Hij zonk uitgeput in 't fluwijn.
  • Moeder heeft de fluwijn gewassen!
  • Aan iemand heelt hij (de jongste) verteld hoe verleden zomer een in het nauw gedreven fluwijn hem in de wang gebeten had (…)
  • Het fluwijn had ons bij de opvuller te Boom een aardige stuiver opgebracht, die we onder ons drieën opgesnoept hadden.

Etymologie

thumb|A. Een zacht kussen in een fluwijn.