foneticus

mannelijk (de)/foˈnetiˌkʏs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. specialist op het gebied van de uitspraak van klanken en woorden
    Zijn inspiratiebron voor professor Higgins was de Londense foneticus en filoloog Henry Sweet, wiens werk op Shaw grote indruk maakte. “Pygmalion Higgins is geen portret van Sweet, bij wie het avontuur met Eliza Dolittle onmogelijk zou zijn geweest”, schreef hij in een voorwoord bij Pygmalion, “maar zoals men zal zien vertoont hij wel trekken van Sweet.” NRC Henk van Gelder 2 november 1994 [https://www.nrc.nl/nieuws/1994/11/02/de-oervader-van-professor-higgins-en-zijn-bloemenmeisje-7244296-a66704 De oervader van Professor Higgins en zijn bloemenmeisje; Ze is van liefde gestorven]
    De laatste woorden van een taal; Groningse foneticus onderzoekt Ainu op Sachalin NRC Herbert Blankesteijn 27 december 1990 [https://www.nrc.nl/nieuws/1990/12/27/de-laatste-woorden-van-een-taal-groningse-foneticus-6951300-a468204 De laatste woorden van een taal; Groningse foneticus onderzoekt Ainu op Sachalin]

Etymologie

* afleiding van fonetiek