foon
mannelijk (de)/fon/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (taalkunde) klanksegment, eenheid van geluid
Etymologie
* Leenwoord uit het Grieks, in de betekenis van ‘eenheid van geluid’ voor het eerst aangetroffen in 1939
Vertalingen
Spaansfono
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek