forfait

onzijdig (het)/fɔrˈfɛ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. term in het Nederlands belastingrecht die wordt gebruikt om aan te duiden dat in een bepaald geval niet de werkelijke situatie, maar een veronderstelde situatie de heffingsgrondslag vormt voor belasting
    Meer belasting betalen terwijl het huis in waarde is gedaald, gaat er bij de huizenbezitters niet in. 'Het forfait dat je bij je inkomen moet optellen en waarover je inkomstenbelasting betaalt, zou moeten dalen of in het ergste geval gelijk moeten blijven, maar niet stijgen', stelt Eigen Huis.Volkskrant 16 januari 2014
  2. afwezig zijn
    Renaud Lavillenie heeft vandaag bevestigd dat hij forfait geeft voor de wereldkampioenschappen indoor, die volgende maand (7-9 maart) in het Poolse Sopot plaatsvinden. De 27-jarige Fransman moet wegens een voetblessure verstek laten gaan. Volkskrant 17 februari 2014

Etymologie

*van "forfait", in de betekenis van ‘vast bedrag’ voor het eerst aangetroffen in 1847

Vertalingen

Engelsfixed sum