verstek

onzijdig (het)/vərˈstɛk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. juridisch (juridisch) afwezigheid wanneer men verwacht wordt aanwezig te zijn
    Hij is bij verstek veroordeeld.
    Hij liet verstek gaan.
  2. gereedschap (gereedschap) een niet-haakse hoek waaronder iets afgezaagd wordt

Etymologie

* van "versteken" «verbergen, verstoppen»