fructose
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfrʏktozə/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) bepaalde suiker die veel in zoete vruchten voorkomtFructose leidt niet tot een toename van insuline en en evenmin tot een verhoging van het leptinehormoon (eetlustremmend hormoon) wat weer kan leiden tot overgewicht wat de kans op diabetes verhoogt.
- (scheikunde) een monosacharide (een enkelvoudige suiker) met als brutoformule C6H12O6
Etymologie
*afgeleid van het Latijnse fructus (vrucht)
Vertalingen
Engelsfructose
Fransfructose
DuitsFructose
Spaansfructosa, azúcar de fruta, levulosa
Italiaansfruttosio
Portugeesfrutosa
Russischфруктоза
Japansフルクトース
Arabischفركتوز
Turksfruktoz
Poolsfruktoza
Zweedsfruktos, fruktsocker
Deensfruktose
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek