gaar
/xaɹ/
Wat is de betekenis van gaar?
gaar betekent: lang genoeg gekookt zodat het eetklaar is
Betekenis
bijvoeglijk naamwoord
- lang genoeg gekookt zodat het eetklaar is
- duf, energieloos, futloos
- zonderling
- Ten volle, geheel en al, ganschelijk
werkwoord
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garen
- gebiedende wijs van garen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van garen
Voorbeelden van "gaar" in een zin
- Aan tafel, het eten is al lang gaar, straks verpietert het nog.
- Ik ben gaar, ik denk dat ik te weinig geslapen heb.
- wat is dat een gare gast, zeg
- Dat gaar recht zijn Uw wetten en voetpaden.
- Gansch en gaar.
Etymologie
erfwoord via Middelnederlands van Oudnederlands garo, in de betekenis van ‘voldoende toebereid’ aangetroffen vanaf 901
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek