gangklok

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. uurwerk dat in de gang staat of hangt
    Mogelijk dacht hij aan het vergulde beeldje, bovenop de gangklok van een der klanten of aan de schilderij die in een hoek hing van het museum: een grijsaard met een kromme zeis gewapend en met een draperie om zijn schaamte geplooid.