gang
mannelijk (de)/ɣɑŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bouwkunde) lange, smalle doorloopruimte in een gebouw of ondergrondsDe gang op deze verdieping is zeer smal.
- (anatomie) een kanaal/buis in een lichaamVia de gehoorgang staat het trommelvlies in verbinding met de buitenlucht.
- (kookkunst) onderdeel van een maaltijdAmuse: velouté van aardpeer met THC (de belangrijkste psychoactieve stof in cannabis)Eerste gang: zeebaars sashimi, grapefruit, gerookte avocado met vaporized mango cannabisTweede gang: gepocheerde wilde zalm met een korst van hennepzaad (zonder THC), venkel, schorseneer, bouillon van zoethout en Syrische wijnruitDerde gang: bbq, geglazuurde varkenswangen, toasted gerst, spruiten, miso bouillon en Hollandia truffel (twee keer zo potent als veel andere soorten psychedelische truffels)Dessert: gelaagde pure chocoladecake met coulis van gemengde bessen en Nepalese hasj
- beweging, snelheid (ook (figuurlijk))We waren bekaf en konden niet meer op gang komen.
- (paardrijden) voortbewegingswijze van paardenIn welke gang gaat het paard het snelst? In rengalop natuurlijk.
- het gaande zijnHet feest was in volle gang toen het licht uitviel.
- (afgelegde) wegHet was voor de rechercheur niet eenvoudig zijn gangen te volgen.
- Bende, komt van het Engels.Jef zit in een andere gang dan ons.
- (geologie) vulling van een spleet in een gesteente
- jaargang
Etymologie
* In de betekenis van ‘doorloop, overdekte weg’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1450
Uitdrukkingen
- bij geruchten vernomen hebben
- met hoge snelheid
- bezig zijn
- op zijn eigen manier bezig zijn
- de uitvaart
Vertalingen
Engelscorridor, gallery, passage
Franscorridor, couloir, plat
DuitsGang, Flur, Korridor
Spaanscorredor, plato
Italiaanscorridoio
Zweedskorridor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek