Kanaal
onzijdig (het)/kaˈnal/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (waterbeheer) gegraven waterweg, (scheepvaartkanaal)Als een slordige s in spiegelbeeld was het kanaal over de stadsplattegrond gekalkt door een dronken ontwerper die sadistisch lachte toen hij zag hoe zijn ingreep de stad zo goed als onbegaanbaar had gemaakt voor de flanerende edelen met hun satijnen schoentjes en die pas de volgende dag, weer nuchter, besefte dat hij geheel tegen zijn bedoeling in een magnifieke waterweg had geschapen die alle delen van de stad op een mooie, trage manier met elkaar verbond.
- (waterbeheer) een (natuurlijke) tak van een rivier in een rivierdeltaDe Wolga vertakt in de laatste kilometers voor de uitmonding in een tal van kanalen.
- (elektrotechniek) (informatica) in de informatietheorie een entiteit tussen zender en ontvanger met een bandbreedte via welke het (na bemonstering) mogelijk is een aantal bits per seconde aan informatie over te dragen. (zie communicatiekanaal, radiokanaal, satellietkanaal, televisiekanaal, transmissiekanaal, videokanaal)
- in meest algemene zin: een transportmogelijkheid voor materie of informatie
Etymologie
*Van Frans canal en Latijn canalis (pijp, goot, kanaal). Op zijn beurt van Grieks kanna (riet). Verwant met Hebreeuws qane (riet) en Arabisch qanah (riet).
Vertalingen
Engelscanal
Franscanal
DuitsKanal
Spaanscanal
Italiaanscanale
Portugeescanal
Russischканал
Chinees运河
Japans運河
Koreaans운하
Poolskanał
Zweedskanal
Deenskanal
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek