garf

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. landbouw (landbouw) samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
  2. (bij uitbreiding) pachtgeld

Etymologie

* (erfwoord): Middelnederlands garve, ontwikkeld uit West-Germaans *garbōn, eigenlijk ‘het (samen)gegrepene’. Evenals Nederduits Garv, Garf, Duits Garbe en Saterfries jierwe.

Vertalingen

Engelssheaf
Fransgerbe
DuitsGarbe
Spaansgavilla
Italiaanscovone
Portugeesgavela
Poolssnop
Zweedskärve