garf
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (landbouw) samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
- (bij uitbreiding) pachtgeld
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands garve, ontwikkeld uit West-Germaans *garbōn, eigenlijk ‘het (samen)gegrepene’. Evenals Nederduits Garv, Garf, Duits Garbe en Saterfries jierwe.
Vertalingen
Engelssheaf
Fransgerbe
DuitsGarbe
Spaansgavilla
Italiaanscovone
Portugeesgavela
Poolssnop
Zweedskärve
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek