Schoof
Wat is de betekenis van Schoof?
Schoof betekent: (landbouw) samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
Betekenis
- (landbouw) samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
- (wiskunde) een wiskundige structuur die aan de open verzamelingen van een topologische ruimte bepaalde algebraïsche structuren koppelt, bijvoorbeeld abelse groepen, ringen of modulen
Voorbeelden van "Schoof" in een zin
- De schoven staan op het veld te drogen.
Betekenis en uitleg van Schoof
Een 'schoof' verwijst naar een bundel of groep van iets, vaak gebruikt in de context van gewassen zoals graan of hooi. Denk aan een samengebonden verzameling die samenhangend en vaak stevig is.
Het woord 'schoof' wordt vaak gebruikt in de agrarische wereld, bijvoorbeeld wanneer boeren hun oogst verzamelen en binden. Het kan ook figuurlijk gebruikt worden om een groep mensen of dingen aan te duiden die bij elkaar horen. De nuance van het woord impliceert een zekere samenhang en structuur, wat het nuttig maakt in verschillende contexten.
Voorbeelden
- Na een lange dag in het veld had de boer zijn eerste schoof tarwe gebonden.
- De kinderen speelden met een schoof bladeren die ze verzameld hadden in het park.
- Tijdens de herfst zagen we een prachtige schoof paddenstoelen in het bos.
Woordoorsprong
Het woord 'schoof' heeft waarschijnlijk zijn oorsprong in het Oudnederlands, waar het verwant is aan woorden die bundels of groepjes aanduiden.
Veelgestelde vragen over Schoof
Wat is de betekenis van Schoof?
Schoof betekent: (landbouw) samengebonden hoeveelheid graanhalmen of andere afgemaaide gewassen
Hoeveel betekenissen heeft Schoof?
Schoof heeft 2 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.
Welk woordgeslacht heeft Schoof?
Schoof is een mannelijk/vrouwelijk (de).
Wat zijn synoniemen van Schoof?
Synoniemen van Schoof zijn: garf.
Hoe gebruik je Schoof in een zin?
Voorbeeld: “De schoven staan op het veld te drogen.”
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands scoef, scoof, scove, ontwikkeld uit Oergermaans *skauba-, misschien verwant met Servo-Kroatisch čȕpa ‘bos haren’. Evenals Oostenrijks-/Zuid-Duits Schaub ‘strobundel’, Fries skeaf ‘schoof’ en Deens skæv ‘bundel darmen van een geslacht dier’.