gast

mannelijk (de)/ɣɑst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. maatschappij (maatschappij) iemand die als bezoeker ergens wordt ontvangen, verwelkomd of op een bijzondere wijze behandeld
    Denemarken ook nauwelijks, in de pers hadden ze het uitgebreid gehad over de gemoedelijke verhouding tussen de Deense bevolking en de Duitse gasten. De koning en de regering van Denemarken zaten nog op hun plaats en de samenwerking leek uitstekend te functioneren binnen de Germaanse verbroedering.
  2. horeca (horeca) klant in een hotel, restaurant e.d.
    `Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.
  3. media (media) wie uitgenodigd wordt voor een mediaprogramma
    De centrale gast in een talkshow.
  4. informatica (informatica) iemand zonder eigen account op een computer of netwerk
  5. informeel (informeel) min of meer denigrerende vorm om tegen of over iemand (doorgaans van het mannelijke geslacht) te spreken
    Gast, wat ben jij daar aan het doen?
    Die opvliegende gast moesten ze voor altijd van de voetbalvelden weren.

Etymologie

*van Middelnederlands "gast", in de betekenis van ‘bezoeker’ voor het eerst aangetroffen in 1236

Uitdrukkingen

  • Ongenode gasten zet men buiten de deurStoett-597 [https://www.dbnl.org/tekst/stoe002nede01_01/stoe002nede01_01_0601.phpv597 www.dbnl.org]
  • Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gastenargwanende mensen zijn vaak zelf niet te vertrouwen (en andersom) / een mens denkt net zo over een ander als die over zichzelf denkt, dus als iemand zelf oneerlijk is denkt diegene dat anderen ook oneerlijk zijn

Vertalingen

Engelsguest
Franshôte
DuitsGast
Spaanshuésped
Russischгость
Poolsgość
Zweedsgäst