gastplant
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣɑstplɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (plantkunde) een plant waarop een ander organisme, zoals een insect (denk aan een rups), een schimmel of een virus, leeft en zich voedt voor groei en voortplanting
- (plantkunde) een plant die op een andere plant groeit zonder er voedingsstoffen aan te onttrekken
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek