gauwdief

mannelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een handige, slinkse, behendige dief
    Een zoektocht naar de auto, flyeren en aangifte bij de politie leverden niets op. Aanwijzingen ontbraken. Tot afgelopen week, toen de politie van Carmel gauwdief Reid Albrecht arresteerde. Tubantia David van der Heeden 18-04-18 [https://www.tubantia.nl/bizar/gus-is-weg-wie-roofde-skatende-bulldog-uit-de-tuin~adf60e59/ Gus is weg! Wie roofde skatende bulldog uit de tuin?]
    De schandpaal staat er morgen pas, dus de gauwdief die gistermorgen op de Middeleeuwse markt in Almelo door veldwachters letterlijk in de kraag werd gevat, had geluk. Tubantia Gauwdief ontsnapt aan de schandpaal [https://www.tubantia.nl/almelo/gauwdief-ontsnapt-aan-de-schandpaal~a98a89cc/ 05-10-07]
    Met een forse slag naar achteren haalde Dinnie met diezelfde tas vol uit naar de straatrover. De eerste klap was gelijk raak. De tas, met zware laptop erin, knalde vol in het gezicht van de brutale gauwdief. Die bleef nog maar net op zijn fiets zitten en droop als een geslagen hond af. Tubantia Bas Klaassen 27-01-17 [https://www.tubantia.nl/binnenland/dinnie-60-slaat-tasjesdief-van-zich-af~afc7389c/ Dinnie (60) slaat tasjesdief van zich af]

Vertalingen

Engelssnatcher, pickpocket